zowel het lezen als het schrijven van  een een
55 woorden verhaal is een compacte ervaring


  • Zij bekeek Adam aandachtig.

    ‘Wat doe jij hier?’

    ‘Niks, en jij?’

    ‘Ook niks.’

    ‘Wat heb je daar?’

    ‘Een vijgenblad.’

    ‘Het lijkt wel een hand.’

    ‘Het is absoluut geen hand.’

    ‘Heb jij dat geplukt?’

    ‘Ja.’

    ‘Waarom?’

    ‘Misschien is het een begin.’

    ‘Van wat?’

    ‘Dat weet ik nog niet, wil jij er ook een?’

    ‘Nee, dank je.’

  • Mathilde las de laatste zin nog eens langzaam over.

    ‘Het noodlot zit in de wals’ zei ze zachtjes.

    ‘Is het zo goed?’

    ‘Jij bent de verhalenschrijver!’

    ‘Wat wil je daarmee zeggen?’

    ‘Niets, maar ze kunnen niet dansen.’

    ‘Nee.’

    ‘Leefden ze nog lang en ongelukkig?’

    ‘Dat wel.’

    ‘Vanwege die bruine jurk en die hoge hakken?’

    ‘Ja.’

  •  De visite praat al uren over ervaringen met ijs, sneeuw of regen.

    Opeens zegt een vrouw: ‘weg met jullie ijs en sneeuw, die hebben niks met mijn weersomstandigheden te maken.’

    Buiten steekt een sneeuwstorm op.

    De vrouw staat op en vertrekt om nooit terug te komen.

    ‘Ze begrijpt er weer niks van’, zeggen de anderen.

  • Deze trein is dezelfde als vanmorgen.’

    ‘Ja, zeg ik’.

    Het woord kut staat nog steeds in het stof achterop de trein.

    ‘Wist jij dat van Alex?’

    ‘ Nee,’ zeg ik. ‘Onbegrijpelijk, verschrikkelijk!’

    We staren naar buiten.

    Het vieze treinraam is als een televisie zonder kabel.

    We proberen te begrijpen welk programma er buiten wordt afgespeeld.

  • ‘Dag Eva!’

    ‘Da’s lang geleden slangenbezweerder. Hoe is het?’

    ‘Je bent een fata morgana in deze woestenij.’

    ‘Ik dacht dat je heel ver weg was.’

    ‘Zeg dat wel, fata morgana’

    ‘Ik heb je niet gezocht.’

    ‘Ik ook niet.’

    ‘Slangenbezweerder, waar was je?’

    ‘Ik ben verloren’

    ‘Alweer?’

    Gearmd verdwijnen ze tussen de menigte op het Rokin.

  • Konijn en Duif zitten in de hoge hoed.

    Konijn zingt zijn nieuwste lied. 

    ‘Wat zing je, konijn?’ 

    ‘Ik zing een lied over gouden bergen.’

    ’O, konijn het klinkt zo mooi.’

    ‘Dat valt erg tegen, maar het zijn mooie bergen.’

     ‘Onvoorstelbaar mooie bergen!’

    ‘Je kunt er alleen over zingen duif.’

    ‘Wat vreselijk jammer is dat konijn.’

  • Ik kreeg drie sprekende vissen in een kom.

    Een was lang, de tweede rond, de derde een goudvis.

    Ik luisterde aandachtig naar de drie vissen.

    Rond sprak als eerste. ‘Wat ben jij belachelijk lang, Lang’,

    Lang: ‘Waarom ben jij rond, Rond ?’

    Lang en Rond herhaalde zich eindeloos.

    De goudvis sprak uitsluitend over de waterkwaliteit.

  • Weer lawaai als een gierende storm met omvallende bomen vanuit de benedenkamer.

    Maria is tevreden.

    Haar man komt verfomfaaid de trap op.

    ‘Ik had bezoekers, hoorde je ze’

    ‘Ja, als onvoorstelbaar vreselijke natuurrampen.’

    ‘Ze waren erg lastig.’ 

     ‘Waar zijn de bezoekers nu?’

    ‘Weggewerkt’ 

    ‘Goed zo!’

    Hij rent weer naar beneden.

    Nu hoort zij neerstortende vliegtuigen. 

  •  
    Zara telde haar jasknopen, ‘Ja,nee,ja.
    Moet ik de ontbrekende knoop mee tellen of niet?’
    ‘Wat wil je, Zara ?’
    Ik kan niet kiezen’.
    ‘Waarom niet?’
    ‘Ik wil het toeval om de tuin leiden.’
    ‘Wat een onzin.’

    ‘Ja, nee,’ Als Zara weer ja zegt valt de oude eik zuchtend voor haar voeten, bovenop haar ongeduldige minnaar.