Vera de Groot

schijftafel 1 Weesp

  • Brieffragment In een heel oude schilderskiel gevonden.

    ´………….mijn nieuwe uitvinding, die van de verftube zal grote gevolgen hebben. Ik ben het niet eens met deze uitvinding, maar nu hij is gedaan is er niks meer aan te doen. Het was in een onbewaakt moment dat dit idee kwam aanwaaien. Deze uitvinding maakt verf draagbaar en houdbaar. Ik heb de verf in een tube, een flexibel buisje met een tuutje geperst en luchtdicht afgesloten. In de tube heeft het prachtige materiaal “verf” zijn natuurlijke vorm, kleur en schoonheid verloren. Maar je kunt het nu wel in je handen houden en transporteren over grote afstanden.
    Ik voorzie rampen. Binnen 200 jaar kunnen we onze kunstschilderkwasten in de wilgen hangen. Beunhazen, overal ter wereld, zullen zich op de productie werpen, van iets dat ze verf zullen noemen.
    Onze kleuren waarbij zelfs de kleuren van edelstenen oppervlakkig  en leeg zijn. Kleuren, zoals wij ze maken, moeizaam, maar met een diepte en warmte die met niets te vergelijken is, zullen van de aardbodem verdwenen zijn.

    En het erge is, niemand zal weten wat er gemist wordt .
    De enorme hoeveelheid inferieure verf die dan uit de tube stroomt, daar valt niet mee maar ook niet tegen op te schilderen. Er zal een tijd komen dat kinderen, mannen en vrouwen van alle leeftijden, zich geroepen zullen voelen, om met een harig kwastje met armzalige verf, aan de slag te gaan. Schilderen kun je dat niet noemen, smeren zonder kleur, vorm of inhoud, is een betere benaming.
    Ik ben, zo als je merkt, een beetje somber over mijn uitvinding en mijn gewoonlijk goede stemming is erg bedrukt.
    Maar het is nu nog niet zo ver. Dat betekent dat we moeten doorwerken nu het nog kan, mijn geliefde vriend. Het portret van Paus Julius is bijna klaar. De scharlakenrode pigmenten zijn geprepareerd tot een gevaarlijk rood voor de mantel van onze “vriend” Julius. Het portret van Mona L. is eindelijk klaar…………”

  • Katherine bekijkt kritisch haar nieuwe zwarte namaak all stars aan haar onwaarschijnlijk grote voeten. Haar benen liggen languit voor haar alsof ze niet de hare zijn. Ik vind alles aan haar groot, onwaarschijnlijk groot.

    Katherine en ik trokken met elkaar op. Het toeval had ons samen op de trappen voor de academie neergezet. Ik voelde me verloren in de grote stad, zij voelde zich opgesloten in een dorp in een onnozel klein land dat zich belachelijk groot voordeed. Katherine noemde Nederland een groene natte badmat. Ik luisterde ademloos naar haar verhaal. Door Katherine was ik eindelijk op die andere planeet terecht gekomen.

    Als Katherine me aan keek zag ik een verre wereld, ver van mijn kleine dorp tussen de weilanden waar boeren de dienst uitmaakten. Bij Katherine zag je de contouren van vliegvelden en wolkenkrabbers.

    Katherine is naar de Rietveld Academie gekomen dankzij de reputatie van de zwart rood geel blauwe luie stoel van Rietveld. Ik kwam naar Amsterdam omdat ik van een vriendje gehoord had dat op die Rietveld school alles mocht. Katherine komt uit New York en ik uit Welsum, een bijna onvindbaar dorp waar wolkenkrabbers en vliegvelden absoluut verboden zijn. We zitten hier om ons in Amsterdam voor te bereiden op de toekomst. We wisten alleen nog niet precies hoe of wat.

    Na een paar dagen doelloze kennismaking hebben we een afspraak met een docent weten te regelen. Amsterdam hadden we inmiddels wel zo een beetje gezien.

    De docent is een lange man die er alles aan doet om op Einstein te lijken. Zijn warrige haardos, aftandse snor en slobberige linnen pak klopt redelijk.

    ‘Hallo’, zegt hij.

    ‘Hallo’, zeggen wij tot onze grote ergernis tegelijk terug.

    ‘Hoe gaat het met jullie?’

    We zeggen dat het goed gaat. Nu niet meer tegelijk. Goddank.

    ‘Zijn jullie al naar het van God museum, sorry ik bedoel natuurlijk het van Gogh geweest?’

    ‘Juist.’ 

    ‘Ook de Aardappeleters niet gezien?’                               

    ‘Juist, dat maakt niet uit. Ik heb hier een boek voor jullie.’

    Als hij het boek naar Katherine schuift, pakt hij uit zijn Einsteintas een kaart van Nederland. 

    Dan is het stil. Hij speelt met de kaart door hem voortdurend horizontaal en vertikaal door zijn handen te laten glijden. Dan valt de kaart en met een klap van zijn hand schuift hij de kaart naar mij.

    ‘Ik stel voor dat jullie naar Brabant gaan om daar onderzoek te doen naar de Aardappeleters, het schilderij van Van Gogh. Tot over veertien dagen. Met niet meer dan een A4.’ 

    ‘Hebben jullie nog vragen of opmerkingen?’

    ‘Nee’, zegt Katherine.

    ‘Nee’, zeg ik, ‘Brabant’, denk ik woedend.

    Als de bus stopt in een dorp dat er erg aardappeleterig uit ziet, stappen we uit. In de verte zien we een boer die ons ook ziet. Maar er is te veel blubber tussen ons, we zwaaien ,maar hij zwaait niet terug. 

    We lopen een paar keer het dorp door, maar veel is er niet te beleven. We proberen te praten met een roodharige jongen. We verstaan hem nauwelijks. Hij nodigt ons uit om zijn verzameling zwerfstenen te bekijken. Zijn grootmoeder maakt koffie voor ons. Hele slappe koffie met veel melk. 

    We nemen de bus weer terug. De boer in het blubberveld zwaait woedend met zijn spade. Dat is natuurlijk de vader van die jongen constateren we.

    In de bus zeg ik ‘Wat een rare kleur haar had die jongen, heb jij zoiets wel eens gezien?’ Katherine luistert maar met een half oor, ze kijkt naar mijn schoenen die nog helemaal schoon zijn gebleven, haar zwarte pseudo’s zitten onder de blubber. 

    ‘Moet je kijken’, zegt Katherine. En ze steekt haar voeten omhoog. ‘Interessant’, zeggen we weer tegelijk. De blubber onderzoeken we zorgvuldig op aardappelsporen.

    Het verslag

    Wat is er te vertellen over de aardappeleters van Van Gogh.

    Inleiding
    We spraken met een onmetelijke oude Brabantse vrouw. Deze vrouw heeft ons veel wijzer gemaakt over de aardappelsoort en de gang van zaken tijdens het schilderen  van de zogenaamde Aardappeleters.


    Wat we ontdekten

    De schilder Vincent van Gogh is nog steeds bekend in Brabant. We hebben zelfs een nazaat van de kunstenaar ontdekt. Deze nazaat verwees ons naar zijn overgrootmoeder die ons zeker meer kon vertellen. Zo gezegd zo gedaan

    Wat kunt u ons vertellen?

    ‘ Ach het is allemaal zo lang geleden. Ik heb samen met nog een paar andere dagenlang in de oude hut van de Kromme gezeten. We zaten daar iedere nacht. meneer Vincent wilde alleen schilderen als het donker was. Hij had zelf de kleren bij zich die we aan moesten trekken. Het was zo donker in dat hutje dat we niet konden zien wat de meneer Vincent deed. We zaten daar maar en verveelde ons heel erg. We mochten na een paar weken ook niet meer praten, want dat leidde meneer Vincent te erg af. Ik was daar wel blij mee, de schuine moppen van de oude en jonge Kromme was ik erg zat. Ze vertelden steeds bijna dezelfde grappen. Tijdens die stille periode ben ik verliefd op meneer Vincent geworden. ik voelde iedere nacht zijn blikken meer op mijn huid branden. Het eind van dat liedje gaat u niks aan.’


    Wat kunt u ons over de aardappelen uit die tijd vertellen?

    ‘We aten hier helemaal geen aardappels. Iedereen at toen bonen’.

    Maar op het schilderij zijn toch duidelijk aardappelen te zien?
    ‘Ik zal u vertellen hoe dat zit. Eerst hadden we zelf bonen in die grote pan gedaan, maar meneer Vincent vond dat niks. De kleur en de vorm beviel hem absoluut niet. Hij stelde toen ,na dagen lang te hebben nagedacht over wat we dan wel moesten eten, aardappels voor. Maar als aardappels koud worden veranderen ze van kleur, ze worden geel, en dat was een kleur die niet in het schilderij paste. Toen kwam hij op het volgende idee. We moesten uit de klei, achter de hut, ballen maken. Later heeft hij die kleiaardappels nog als betaling voor onze nachten lange zitten rond die tafel willen gebruiken. Ik heb toen tegen meneer Vincent gezegd, ‘Dat kun je niet maken’. We hadden die ballen nota bene zelf moeten maken! Het was me er wel eentje die meneer Vincent.’

    ‘Ik hoopte heel heel erg dat hij bij mij in het dorp bleef, maar hij vertrok na een ruzie met die stomme ouwe kromme die meer geld wilde voor het huren van zijn hut.

    ‘Heeft u nog voor tekeningen geposeerd?’

    ‘Pardon? Wat bedoeld u?’

    Einde van onze bevindingen.

    Conclusie.
    De aardappelen op De Aardappeleters zijn helemaal geen aardappelen.

    Einstein was erg tevreden over ons verslag, maar Katherine vertrok een week later weer naar New York. Ze hield het niet uit in dat, volgens Katherine, kleine, met boeren bevolkte Holland.

  • Het is erg druk op de schoenenafdeling.

    De verkoopster krijgt met moeite de juiste schoenen aan de juiste voeten of in de juiste doos. We wachten geduldig op onze bestelling. Ik wat meer dan Eva. Naast mij gaat het strikje op haar schoen, die op een teen hangt, ongeduldig op en neer. Mijn ontschoende voet wacht wat er komen gaat.
     
    Er was vanmorgen nog een strikje. Dat had een functie, maar wel een ondoorgrondelijke. Een strikje dat bewoog als een zwaluw, glijdend met korte bochten heen en weer bij elke stap. De spreekster liep door het middenpad naar de lessenaar.
    En daar zat het, midden achter op de rok, ter hoogte van de knieholte en boven iets wat nog het beste te omschrijven is als een geplooid mini gordijntje.
    Wie die strik zag, man of vrouw, moest blijven kijken.
    Aan de grijswitte kleur van de rok kon het niet liggen. Het was de beweging en de plaats van deze kuise, met de vrijheid vechtende, strik die de aandacht trok.
    Langzaam werd het stil.
    Ze nam het woord……………………”Realiteit en fictie worden geïnstitutionaliseerd. Deze behandeling van realiteit en fictie maakt het mogelijk de realiteit en datgene wat ze verbergt te doorgronden……….”.
    Het strikje zat nu aan de achterkant van de spreekster, maar het zou weer te voorschijn komen als de lezing afgelopen zou zijn. Het was een wonderlijke illustratie van realiteit en fictie. En daar hadden we het over en dat was waar het allemaal om begonnen was in de volle auditoriumzaal.
     
    Mijn voet is nog in een heel andere wereld als de schoenverkoopster aanstalten maakt mijn voet, in het door mij bestelde laarsje te wurmen. Ik zit weer in de wereld van de schoenenafdeling en Eva met haar strikjespumps. Met de handigheid van een vakvrouw trekt de verkoopster aan de veters en maakt een stevige strik in het enkelhoge, zwarte rijglaasje.
     Vera de Groot  

  • De foto geeft heel iets anders weer dan ik me herinner. Het chemische proces op het stukje papier laat een plein zien. Hoge huizen in noordelijke renaissancestijl. Op de voorgrond staan twee mensen die duidelijk poseren voor een foto.
    De poserende man heeft een krant in zijn hand met dezelfde datum die met viltstift op de foto staat. De vrouw met dat rare kapsel kan niemand anders zijn dan ikzelf. De fotograaf werpt een lange schaduw over het poserende paar.
    Er is geen hemel te zien op de foto De zon is aanwezig in de vorm van deze schaduw.
    De krantenkop is met de grootsmogelijke letters opgemaakt. Voor de telefooncel staan lange rijen mannen met ook een krant met koeienletters onder de arm.
    Buiten het fenomeen van de mannen met de kranten is er niet veel bijzonders te zien. Als je kijkt met de blik van een politieagent kun je zien dat er wel drie borden “verboden voor alle verkeer” op diverse plekken op het plein staan, maar er staan wel auto’s her en der.
    Verder zijn er nog wat toevallige passanten die er ook niet toe doen. Een man met een fiets in de hand, een vrouw met kind en wat figuren waar niet van vast te stellen is tot welke sekse ze behoren. Er is ook nog een fontein, maar het kan ook een stuk van een standbeeld of een ander prestige object van steen zijn.
    Het bijzondere van die dag zit niet in deze foto .
     
    De viltstift en krantendatum is 11-8-99. De datum van de laatste totale zonsverduistering in Europa. Ik herinner me niks van hierboven beschreven foto, maar wel het enge licht en de kou op het moment dat de zon onzichtbaar was.
     Vera de Groot  

  • Ik meld mij bij balie 16. Alle stoelen zijn bezet met dezelfde kwaal. Om de 3 minuten mag er iemand naar binnen. Na zes minuten kan ik achterin gaan  Ik wacht, net zo als iedereen hier, op de dingen die gaan komen en wat het lot zoal voor ons in petto heeft. Het roepen van de naam van  de volgende patiënt krijgt op den duur iets monotoons in deze goed geprogrammeerde ruimte.

     Alles was toen veel groter en het zou nog mogelijk zijn om de taal der dieren te leren.
    Er werd besloten dat ik naar de dokter moest. Of er pijn was, dat  kan ik me niet meer herinneren. Opeens was het er. Het zat er gewoon en het moest weggehaald worden.
    Die wachtkamer had een lucht die ik niet kende en het was er donker en licht tegelijk. Buiten had de zon geschenen, maar de enorme boom voor het raam vulde de kamer met een onderwatergroen licht.
    Overal zat witte  verf op: de muren, de houten bank, de vloer, de deuren. Alles was bedekt met een dikke laag witte glanzende verf. Ook het kastje waar die rare metalen bakjes in lagen en nog andere voorwerpen waarvan je niet kon zeggen waar ze voor dienden, maar ze zagen er gebruikt uit.
    We waren alleen in die kamer  Het was heel stil, een soort opgesloten stilte. Zonder dat ik erop bedacht was ging de deur open.  Dat moet hem zijn. Geheel in het zwart gekleed, met een hand op de kruk, maakte hij een gebaar. We mochten naar binnen.
    Even later zit ik met zo’n koud eng bakje onder mijn arm en gebeurt er iets wat ik niet goed kan zien. Dan komt er een groot stuk verband om mijn arm. Maar wat er daar in die kamer met mijn arm is gebeurd, weet ik nog
    steeds niet. Het was wel weer mijn oude vertrouwde armpje geworden.
     
    “De Groot !” wordt er geroepen. Ik loop snel naar de keurig in het wit geklede man.
     Vera de Groot  

  • Zijn kleding is meer afgestemd op een koude dag. Het verschil tussen zijn schatting en de thermometer is minstens 10 graden Celsius. Meestal gaat het goed en klopt alles. Nu zitten onze dikke jassen, tot zijn grote ergernis, in het bagagerek gepropt. Aan zijn buitenkant is niet veel te zien, maar er broeit wat: ”Ik ben het detail al dagen kwijt én mijn kijktechniek is verwaarloosd. Ik moet weer helemaal van voren af aan beginnen. Rust en concentratie zijn van groot belang. Ik werk ook veel te hard, nergens tijd voor. Hoe werkte het ook al weer in de trein? Strak rechtuit kijken of iedere keer heel snel naar links en rechts kijken? Ik ben me ook niet bewust van al dat groen en die lucht buiten. Ik vul altijd maar in wat ik denk dat er is, maar ik denk meestal dat er toch niks is met alle gevolgen van dien”.
    “Heb jij een methode om betrouwbaar naar buiten te kijken?”
    “Betrouwbaar wil ik het niet noemen. Ik ben van nature erg subjectief en één methode is veel te weinig. Ik heb er een voor iedere omstandigheid: één om de beesten en de mensen te zien, één voor het weer, één voor het landschap en een voor het buitenland”.
     “Ik probeer heel snel van links naar rechts te kijken, waar hoort dat bij?”.
     “Dat is niks”.
    ”Ik zie ook nooit wat”.
    Buiten schieten koeien, sloten, schapen en bomen voorbij. In de trein zijn bijna alle stoelen leeg. De warme okerkleur van de coupé past wonderwel bij de stemming binnen en buiten. Na lang nadenken ziet hij nog steeds niks. De koeien, schapen, de bomen hier en daar, de hoge lucht, kunnen nog steeds geen plaats krijgen in zijn hoofd.
     Vera de Groot  
  • Voor mijn achtste verjaardag kreeg ik het boekje ‘Zien is kennen’, het vogel determineerboekje met prachtige plaatjes en namen van alle vogels in Nederland. Ik vond het het mooiste cadeau dat  ik ooit gekregen had.
    Niet alleen de aquarellen van de vogels vond ik heel mooi, maar ook de titel ‘Zien is kennen’ was erg geheimzinnig. Er ging door die titel een vreemde wereld open. Want  hoe verhielden de woorden ‘zien’ en ‘kennen’ zich tot elkaar? Ik wilde weten wat mijn kleine zusje zag die nog maar net kon lopen. Daarom liep ik , als experiment, opmijn hurken door het huis. Om met de ogen van mijn ouders de wereld te bekijken gebruikte ik het keukentrapje. Ik twijfelde wel aan mijn experimenten. Want hoe mijn kleine zusje de wereld zag, of hoe mijn ouders, was maar gedeeltelijk opgelost.
     
     Nu, jaren later, zijn de rollen omgedraaid. Niet alleen mijn zus wil graag weten wat ik zie, maar iedereen die me met die stok ziet lopen.
    ‘Ziet u nog wat?’ of ‘Wat ziet u?. ‘Het is zeker erg vaag?’. ‘Ik zie ze ook wel eens lopen met een veel langere of een korte stok, is dat een kwestie van mode?’.
    Er zijn vele variaties op de vragen wat ik kan zien, of beter gezegd, wat ik niet kan zien. Ik heb een snel antwoord op die vragen: ‘De kleuren zijn vaal, alles staat scheef en in het midden zit een donkere plek, een soort ufo,’. Ik merk dan dat de meeste mensen zich niks kunnen voorstellen hoe die  deformaties eruit zien. Er bestaat over wat ik zie geen gids met plaatjes en teksten.
    Ik ben er inmiddels aan gewend, aan dat scheve en die ufo. Maar soms herinner ik me hoe het was voordat mensen in monsters veranderden en de bomen nog recht stonden. Dat doet dan pijn alsof je een geliefde hebt verloren die echt nooit, maar dan ook nooit meer terug komt. Dan kan ik alleen mijn ogen dicht doen om te zien hoe het  was. Soms zie ik het zo mooier dan het in het echt was.
     
    Maar het verhaal is nog niet af. Na veel avonturen met overwinningen en nederlagen weet ik nu hoe een straat klinkt of een plein of een park of een winkel. Kortom hoe de wereld om me heen zich ook kenbaar kan maken.
    Het was een heel werk om een zichtbare wereld met luisteren, voelen of tellen om te zetten, zodat ik weet wat het is. ‘Zien is kennen’ is nu. ‘Voelen en Luisteren´ is ´Zien is kennen’. Gelukkig herken ik de vogels nog steeds.
     Vera de Groot.