balie 16

Ik meld mij bij balie 16. Alle stoelen zijn bezet met dezelfde kwaal. Om de 3 minuten mag er iemand naar binnen. Na zes minuten kan ik achterin gaan zitten. Ik wacht, net zo als iedereen hier, op de dingen die gaan komen en wat het lot zoal voor ons in petto heeft. Het roepen van de naam van de volgende patiënt krijgt op den duur iets monotoons in deze goed geprogrammeerde ruimte.

Alles was toen veel groter en het zou nog mogelijk zijn om de taal der dieren te leren.
Er werd besloten dat ik naar de dokter moest. Of er pijn was, dat kan ik me niet meer herinneren. Opeens was het er. Het zat er gewoon en het moest weggehaald worden.
Die wachtkamer had een lucht die ik niet kende en het was er donker en licht tegelijk. Buiten had de zon geschenen, maar de enorme boom voor het raam vulde de kamer met een onderwatergroen licht.
Overal zat witte verf op: de muren, de houten bank, de vloer, de deuren. Alles was bedekt met een dikke laag witte glanzende verf. Ook het kastje waar die rare metalen bakjes in lagen en nog andere voorwerpen waarvan je niet kon zeggen waar ze voor dienden, maar ze zagen er gebruikt uit.
We waren alleen in die kamer  Het was heel stil, een soort opgesloten stilte. Zonder dat ik erop bedacht was ging de deur open.  Dat moet hem zijn. Geheel in het zwart gekleed, met een hand op de kruk, maakte hij een gebaar. We mochten naar binnen.
Even later zit ik met zo’n koud eng bakje onder mijn arm en gebeurt er iets wat ik niet goed kan zien. Dan komt er een groot stuk verband om mijn arm. Maar wat er daar in die kamer met mijn arm is gebeurd, weet ik nog
steeds niet. Het was wel weer mijn oude vertrouwde armpje geworden.

“De Groot !” wordt er geroepen. Ik loop snel naar de keurig in het wit geklede man.

Vera de Groot, Leiden 16 juli 2007