het verhaal met de bruine jurk

 Mathilde las de laatste zin nog eens langzaam over.

‘Het noodlot zit in de wals’ zei ze zachtjes.

‘Is het zo goed?’

‘Jij bent de verhalenschrijver!’

‘Wat wil je daarmee zeggen?’

‘Niets, maar ze kunnen niet dansen.’

‘Nee.’

‘Leefden ze nog lang en ongelukkig?’

‘Dat wel.’

‘Vanwege die bruine jurk en die hoge hakken?’

‘Ja.’